Europa in 2016 - Horgos (Servië)

Douaneposten zijn meestal kil en troosteloos en dat is hier niet anders. Een vervallen duty-free shop lijkt verkleurd als een oude postkaart. Wat verder staan drie vlaggenmasten, maar enkel aan de middelste hangt een vlag. Een Europese nog wel. De vlag wappert niet fier, maar hangt afgebleekt halfstok. Wellicht onbewust en uit verwaarlozing, maar qua symboliek kan het tellen. Vaal blauw met de twaalf sterren nog amper zichtbaar. Sterren die staan voor eenheid, solidariteit en harmonie. Deze vlag wil in de grond zinken van schaamte.

Voorbijgangers in Servië begroeten me vriendelijk en enthousiast. Ergens stoort me dat momenteel enorm. Ik zit niet blij op de fiets en vrolijk terugzwaaien voelt ongepast.

In rapporten van de Verenigde Naties las ik dat er hier in Horgos een geïmproviseerd vluchtelingenkamp is. Voor ik naar een kennis verderop fiets om daar te overnachten, wil ik nog even kijken of ik dat tentenkamp vind. Weer sla ik een landweggetje in dat uitkomt aan de grens. Al snel heb ik door dat er hier geen tenten zullen staan, maar ik blijf rechtdoor gaan.

Hetzelfde hekwerk zie ik al blinken in de verte. Het landschap is hier meer open en je ziet beter hoe eindeloos dat hek is. Ik trek wat foto’s en trek zo de aandacht van twee militairen, een douanier en een hondje aan de Hongaarse kant. We spreken met een doorzichtige muur tussen ons. Een van de militairen spreekt goed Engels en stelt de gebruikelijke vragen over mijn reis. Dan vraagt hij: ‘Have you seen bad persons?’ Ik hoor mezelf zeggen: ‘No, only some farmers.’ Eigenlijk vraagt hij mij om te helpen in de jacht. De jacht op mensen die op zoek zijn naar geluk. Ik vraag of hij vandaag al vluchtelingen heeft gezien. ‘No, it’s quiet.’ Het hondje heeft ergens een holletje gevonden om de grens over te steken en is nu in Servië, aan mijn kant.

Tijdens het gesprek zie ik wat verder in mijn ooghoek iets blauws in de prikkeldraad hangen. Ik denk dat het een lege waterfles is, zoals ik er hier veel op de grond heb zien liggen. Na het gesprek ga ik kijken wat het is. Als ik nader, zie ik plots dat het geen plastic fles is. Het is een kinderschoen. Het wordt me even te veel.

Op automatische piloot trek ik foto’s van wat ik zie: een blauw kinderschoentje in een rol prikkeldraad. Meteen spoken veel vragen door mijn hoofd. Hoe komt dat hier? Wie droeg dit? Weet ik eigenlijk iets over wat ik zie? Vragen waarop ik nooit een antwoord zal weten. En toch is dit beeld zo aangrijpend dat ik het wellicht nooit meer uit mijn hoofd krijg. Ook dit is Europa in 2016.

Mijn fiets laat ik even achter en ik trek verder foto’s. Al wandelend langs de grens begin ik me het struikgewas in het donker in te beelden. Ik zie stukken platgetrapt gras tussen de bosjes.

En dan zie ik een rugzak in de modder die hier duidelijk al lang ligt en is ingepalmd door een mierenkolonie. Achtergelaten. Opnieuw al die vragen en mogelijke scenario’s die door mijn hoofd spoken. Ik weet niets, alleen dat dit me aangrijpt.

Een schoenzool, een pamper, een verband, een zwarte damesschoen… Persoonlijke bezittingen op een paar meter van onpersoonlijk ijzer. Ik trek foto’s, niet goed wetend waarom juist. Een gevoel van totale zinloosheid overvalt me. Later op de fiets voel ik ook woede, verdriet, onmacht… De vragen blijven malen.

Langs dezelfde weg ga ik terug en hou even halt om iets te eten. Een homp Hongaars kaneelbrood haal ik uit mijn fietstas. Zelfs dit voelt wrang. Honden blaffen me toe en een vrouw haalt de was binnen. De zon staat al laag.

lees verder >>>