Impressie van de Hongaars-Servische grens

 

‘Hoeveel kilometer?’ – Röszke (Hongarije)

De zanderige landweg waarop ik fiets, loopt parallel met een rivier. Die rivier vormt op dit stuk de grens tussen Hongarije en Servië, tussen Schengen en niet-Schengen. De kikkers kwaken in dit prachtige stuk natuur, maar de rust wordt kil doorbroken door ijzer om te verwonden. Voor het eerst zie ik prikkeldraad tussen de begroeiing. Metaal blinkt tussen het hoge riet en de gele, paarse en witte bloemen.

BLOG_muur_vlag-4448

BLOG_muur_vlag-4452

Traag fiets ik langs de grens, want deze hobbelige weg laat niet sneller toe. Wat ik links van mij zie, werkt in. Het woelt binnenin mij. Dit is het dan: een gesloten grens. Brutaal opgeworpen om mensen die een oorlog ontvluchten, buiten te houden.

Op zich leer ik vandaag niets nieuws. Niets dat ik niet al gezien heb op televisie of gelezen in kranten. Niets waarvan de absurditeit mij niet al langer tegen de borst stuit. Niets dat we eigenlijk allemaal weten of op zijn minst kunnen weten. Maar toch dringt het nu voor het eerst echt binnen.

Honderden meters hotsend en botsend naast riet doorweven met prikkeldraad. Zo zou ik ook honderden kilometers kunnen fietsen, bedenk ik me.

Ik passeer een witte auto. Naast de auto staan twee agenten van de grenspolitie met een warmtecamera. Ik doe alsof ik de weg kwijt ben en gebaar dat ik naar Röszke wil. Ze slikken het makkelijk en stellen geen vragen. Als ik uit zicht ben, neem ik verder foto’s.

BLOG_muur_vlag-4431

Plots houdt de prikkeldraad op. Onder een afdakje zitten twee militairen naar het water te kijken. Mijn oog valt op de overkant. Op de andere oever klieft een diagonaal het landschap in twee. Een metershoog hek met een dubbele dosis razor wire snijdt door het land. Daar loopt de grens verder.

Sergeant Tofler komt me blijgemuts een hand schudden en stelt wat vragen over mijn reis. ‘Hoeveel kilometer?’ Wat later vraag ik of hij vandaag al vluchtelingen heeft gezien. ‘Tien,’ zegt hij. Zijn Engels is te gebrekkig om goed te begrijpen wat er met hen is gebeurd. Ik wil ook niet te hard doorvragen om niet als een journalist over te komen. Als naïeve toerist vraag ik of ik van hem een foto mag nemen, maar uiteraard weigert hij dat. We nemen afscheid. De brede glimlach van de oprecht vriendelijke sergeant, maakt alles nog wranger.

Ik sla af op een weg waar ik volgens mijn GPS de grens kan oversteken. Snel kom ik er achter dat dat hier niet zal lukken. Het hek is drie à vier meter hoog met bovenop prikkeldraad en aan de andere kant van het hek zitten nog vier rollen afschrikmiddel.

BLOG_muur_vlag-4472

BLOG_muur_vlag-4469

Naast de weg en het hek staan lieflijke serres. In een voortuintje doet een autoband dienst als sympathieke bloembak met gele viooltjes of iets van die aard. Als je het ijzer wegdenkt, is het woord idyllisch niet eens vergezocht.

BLOG_muur_vlag-4487

Om vanuit een ander perspectief de muur te fotograferen, ga ik op een betonnen staketsel staan. Een paar minuten later passeren twee jeeps van de grenspolitie en nog twee patrouilles te voet. Met een van hen sla ik een praatje. Ik zeg dat ik verdwaald ben en dat ik de grens over moet naar Subotica. Dat laatste is niet gelogen. De militair is vriendelijk en geïnteresseerd in deze rare snuiter: ‘Hoeveel kilometer?’ Hij zegt me dat ik best terugkeer, want dit is een ‘politieweg’.

Ik steek een lege geheugenkaart in mijn fototoestel, voor het geval de grenspolitie moeilijk zou doen aan de overgang. Die voorzorg blijkt onnodig. De douane controleert me niet. Mijn identiteitskaart wordt even gescand: bliep. Zo makkelijk steek ik de grens over. Een bliepje, meer is het niet. Ook in de andere richting zou dat voor mij even simpel zijn. Dat heb ik allemaal te danken aan mijn geboorteplaats. Niets meer en niets minder. De vrolijkheid van de douanier en zijn bewondering voor mijn reis stemt me triest. De onvermijdelijke vraag volgt: ‘Hoeveel kilometer?’

Zouden de militairen en grenspolitie dat ook vragen aan de mensen op de vlucht die ze tegenhouden?

lees verder >>>